Doofheid en slechthorendheid zijn een veelzijdig en complex medisch, psychologisch, pedagogisch en maatschappelijk gegeven. In de meeste geïndustrialiseerde en Europese landen behoren gehoorstoornissen tot de meest voorkomende langdurige lichamelijke aandoeningen.
In 1995 schatte de Wereldgezondheidsorganisatie dat er wereldwijd 120 miljoen mensen waren met een permanente gehoorstoornis, wat overeenkwam met 2.2% van de wereldbevolking (Mencher, 2000).
De mogelijke impact van deze stoornissen op de persoonlijke ontwikkeling, het psychologisch welbevinden en het sociale leven van de betrokkenen zijn van die aard dat het hier gaat om een ernstig gezondheidsprobleem, dat zeker en vast maatschappelijke en wetenschappelijke aandacht verdient.

Anderzijds worden doofheid en slechthorendheid gekenmerkt door een sociaal-culturele uniciteit. Doorheen de geschiedenis en in praktisch alle landen verspreid over de hele wereld creëerden dove personen een eigen visuele communicatie, unieke gebarentalen en een eigen visuele cultuur met eigen sociale banden, eigen netwerken van vrienden, een eigen verspreiding van informatie en kennis, eigen gebruiken en eigen gebarenpoëzie en andere visuele kunstvormen. Deze cultuur van de stilte maakt van doofheid een bilinguaal bicultureel gegeven en toont enigszins de menselijke mogelijkheden en creativiteit van diversiteit.
De voorbije jaren werd de opvoeding van en het onderwijs voor dove en slechthorende kinderen gekenmerkt door belangrijke, enigszins spectaculaire veranderingen. De maatschappelijke en pedagogische erkenning van gebarentalen als authentieke en volwaardige talen die voor doven en slechthorenden een vlotte communicatie en rijke informatie-uitwisseling mogelijk maken, hebben – via het gebarentaalonderwijs of tweetalig dovenonderwijs en via de voorziening van gebarentaaltolken – voor vele dove en slechthorende kinderen en volwassenen geleid tot een grotere toegankelijkheid tot culturele en maatschappelijke kennis.
Een veelheid aan wetenschappelijke studies benadrukte het psychologisch belang van de dovengemeenschap, dovenverenigingen en dovenclubs voor de identiteitsontwikkeling, het zelfbeeld en het zelfvertrouwen van dove kinderen, jongeren en volwassenen.
Deze culturen van de stilte blijken van ontelbaar groot belang te zijn voor het persoonlijk welbevinden en de persoonlijke ontplooiing van dove personen. Het is hier dat ze vrienden ontmoeten waarmee ze een vlotte babbel kunnen maken; iets wat in de horende wereld amper kan. Het is hier dat ze de informatie en kennis opdoen, die ze in de gesproken wereld moeten missen. Het is hier dat ze zichzelf kunnen zijn zonder de voortdurende beperkingen te moeten voelen van niet of slecht te horen. Het is hier dat ze deze beperkingen psychologisch verteren. Het is hier dat ze met deze beperkingen leren omgaan.

Anderzijds hebben de medische en technologische ontwikkelingen op het vlak van cochleaire implantatie de voorbije jaren voor heel wat doven en ernstig slecht¬horenden geleid tot een significante gehoorsverbetering en toegankelijkheid tot de gesproken taal en tot de horende wereld. Een veelheid aan wetenschappelijke studies duidt op een significant betere verwerving van gesproken taal dankzij coch¬leaire implantatie, zeker wanneer de kinderen vroegtijdig worden geïmplanteerd en opgroeien in een gesproken taalomgeving met intensieve gehoor- en spraak¬training
Kortom, de huidige ontwikkelingen plaatsen ouders van dove kinderen – reeds zeer vroeg en zeer snel na de diagnosestelling – voor een niet eenvoudige, bijna onmogelijke, maar wel belangrijke pedagogische keuze. Hen hierin bijstaan is één van de belangrijkste doelstellingen van het project “De opvoeding van jonge dove kinderen met een cochleaire inplant”, dat dit jaar wordt gefinancierd door NVSG in de vorm van een studiebeurs ter voorbereiding van een doctoraatsonderzoek.
Fragment uit toespraak Prof G. Loots VUB-UG NVSG Ontmoetingsdag 2006 te Gent