Dyslexie

De meest gebruikte omschrijving van dyslexie is deze van de Stichting Dyslexie Nederland (2008): “Dyslexie is een stoornis die gekenmerkt wordt door een hard­nekkig probleem bij het aanleren en/of vlot toepassen van het lezen en/of spellen op woordniveau”.

Met “hardnekkig” bedoelen we dat lezen en spellen niet verloopt zoals verwacht, ondanks goed onderwijs en extra hulp gedurende minimaal 6 maanden.

Dyslexie komt naar schatting voor bij 3 tot 10% van de bevolking. Jongens hebben vaker dyslexie dan meisjes.

De oorzaak van het moeilijk (leren) lezen en spellen is meestal het minder vlot kop­pelen van spraakklanken en letters. De koppeling tussen bijvoorbeeld de klank “eu” en de geschreven “eu” verloopt moeizamer. Bovendien lezen mensen met dyslexie lange woorden en woorden die niet vaak voorkomen opvallend trager dan mensen zonder dyslexie.

Dit alles komt waarschijnlijk omdat het voor hen moeilijk is om woorden snel en juist te ontleden in spraakklanken en deze opnieuw samen te stellen tot woorden. Dikwijls zijn er ook geheugenproblemen zoals het (te) traag oproepen en be­noemen van letters, cijfers, voorwerpen en kleuren.

Hersenonderzoek laat vandaag toe deze problemen te linken aan specifieke af­wij­kingen, o.a. in de hersengebieden die belangrijk zijn voor de taal. Ook het feit dat bij dyslexie erfelijkheid een bepaalde rol kan spelen, wijst erop dat deze stoornis een lichamelijke, neurobiologische oorzaak heeft.

Dyslexie kan samengaan met andere specifieke leer- en ontwikkelings­stoornissen zoals een reken­stoornis (dyscalculie), een motorische stoornis en/of een spraak- en taalstoornis.

Dyslexie kan het wel­bevinden, de per­soon­lijk­heids­ont­wik­kel­ing en de ont­wik­ke­lings­kansen van het kind in het verdere leven ernstig hypothekeren. Daarom moet dyslexie behandeld worden, en liefst zo vroeg mogelijk.

Wetenschappelijk onderbouwde behandelingen pakken de taal­ver­wer­kings­pro­ble­men aan en bestaan uit een specifieke, individueel afgestemde lees- en/of spel­ling­training.

Andere behandelingen zoals het trainen van de motoriek, het gehoor en het zien, het luisteren naar muziek, het dragen van speciale brillen, het stimuleren van het visueel voorstellingsvermogen of ‘beeld denken’, het volgen van speciale diëten of innemen van speciale voedingsmiddelen (bepaalde vitamines, visolie, …) e.d., hebben geen aangetoonde positieve invloed op de dyslexie of werken nadelig.

Fragment toespraak: Stefaan Singelee,
Voorzitter Federatie Centra voor Ambulante Revalidatie vzw
Ontmoetingsdag NVSG 2010 te Tessenderlo

Enkele realisaties